Account: (login)

More Channels


Are you the publisher? Claim this channel

Search in 125,852,270 RSS articles:

Latest Articles in this Channel:

  • 09/18/06--13:32: Bernard Williams denkt na over het Internet (chan 2721565)
  • Eén van de beste boeken over waarheid dat de jongste jaren geschreven werd, is van de hand van Bernard Williams: Truth and Truthfulness (Princeton UP, 2002). Een schitterende analyse van waarheidsdeugden én een krachtige kritiek op wat hij 'the deniers of truth' noemt: sociaal constructivisten, relativisten en natuurlijk ook de Franse differentiedenkers. Maar ook kritische reflectie over de gevolgen van het Internet. Blz. 216: 'The Internet shows signs of creating for the first time what Marhall McLuhan prophesied as a consequence of television, a global village, that has the disadvantages of both globalization and of a village (...) it supports that mainstay of all villages, gossip. (...) the chances that many of these messages will be true are low, and the probability that the system itself will help anyone to pick out the true ones is even lower. (...) At the same time, the global nature of these conversations makes the situation worse than a village, where at least you might encounter and perhaps be forced to listen to some people who had different opinions and obsessions. As critics concerned for the future of democratic discussion have pointed out, the Internet makes it easy for large numbers of previously isolated extremists to find each other and talk only among themselves.' Bernard Williams schreef dit in 2001. Hij overleed in 2003.


  • 12/15/06--11:53: Fictie, Freud en Le Soir (chan 2721565)
  • Van alle drogredenen en intellectuele uitschuivers in het debat rond het extra journaal van de RTBF (woensdag 13 december), was de stelling dat dit alles ‘het debat op het publieke forum’ moet brengen (Libre Belgique) en ‘een pedagogische waarde’ zou hebben (RTBF-baas Jean-Paul Phillipot) wel de grofste. Ter vergelijking: stel dat iemand het migrantenprobleem zou willen aankaarten met een fictieve reportage over een opstand in Molenbeek waarin (pakweg) een driehonderdtal Marokkaanse jongeren er op lokaal vlak de sharia zouden instellen. Er zijn ongetwijfeld extreme jongeren die met zulke plannen rondlopen, daar niet van. Maar zegt zulke fictie iets over hoe een samenleving moet worden opgebouwd? Zou zulke fictie pedagogische waarde hebben? Het debat op genuanceerde wijze ‘op het publieke forum brengen’? Het argument is een variant op het ‘moet kunnen’-argument. Alles moet kunnen, en wie bezwaren heeft, wordt als behoudsgezind, oncreatief en fantasieloos afgeschilderd.

     

    Een veel interessantere vaststelling: Peter Vandermeersch citeert in De Standaard zijn Franstalige collega’s van Le Soir. Er was sprake van separatisme als ‘Le fantasme flamand’. Een klassiek Freudiaans concept. Vanaf 1897 begon Freud te spreken over het fantasma (verdrongen infantiel-seksuele fantasieën), en naslag in het woordenboek leert ons dat deze term (niet verwarren met  fantaisie) inderdaad die psychoanalytische betekenis heeft. De psychoanalytische decreterende retoriek is hier volop aan het werk: separatisme wordt de onbewuste fantasie van dé Vlaming (voor Lacanianen: het objet petit a van hun politieke wensdromen) heeft interessante effecten: separatisme wordt een syndroom, een pathologisch spookbeeld,  de Vlaming weet dit niet, maar de psychoanalytisch geschoolde Waal ‘begrijpt’ nu wat de Vlamingen ‘eigenlijk’ willen. En daarvoor kan hij behandeld worden. En de psychoanalysering maakt rationele discussies overbodig, want als iemand zou ontkennen dat hij separatist is, kan de Freudiaanse krachttoer meteen toegepast worden: ‘U ontkent dat u separatist bent? U bent dus separatist!’. De psychoanalyse begrijpt alles, ook de Vlamingen. Volgens Le Soir zijn Vlamingen eigenlijk patiënten die moeten geholpen worden. Eindelijk zinvol werk voor de leden van de Belgische School voor Psychoanalyse


  • 12/16/06--02:51: Julia Kristeva krijgt nog een prijs (chan 2721565)
  • Volgens De Standaard (16 december) heeft de franse 'filosofe' Julia Kristeva de Hannah-Arendtprijs gekregen. Over Hannah Arendt geen slecht woord, maar ze zou zich in haar graf omdraaien bij het lezen van Kristeva. 'Volgens de jury is Kristeva in staat over de grenzen van de academische disciplines te denken. Zo maakte zij de grenzen tussen psychoanalyse en politiek denken transparant. Kristeva is een leerlinge van de Zwitserse psychoanalyticus Jacques Lacan.' De dwaasheid in dit berichtje, wellicht voor rekening van de Deutsche Presse Agentur ligt niet in het vermeende Zwitserse staatsburgerschap van dr. Jacques L., wél in de beknopte motivatie. Wat kan dat bij Kristeva betekenen, ‘de grenzen tussen psychoanalyse en politiek denken transparant maken’? De echtgenote van Philippe Sollers, stichter van Tel Quel en nog zo’n Franse luchtballon, heeft niets ‘transparant’ gemaakt. Ze heeft psychoanalyse toegepast op ‘de vreemde in onszelf’ en daarmee de multiculturele samenleving begrepen. Maar in de discussies over de rellen in de banlieu’s van Parijs, nu één jaar geleden, bleef ze oorverdovend zwijgen. Wellicht omdat ze ook het onbewuste van de kansarmen en het falend Frans integratiebeled al lang begrepen had, dank zij haar ‘opleiding’ bij Lacan. Mevrouw Kristeva heeft ook de grenzen tussen semiotiek en logica verkend, en daarmee terecht een zeer prominente plaats plaats verworven in Impostures Intellectuelles van Bricmont en Sokal. In 2004 kreeg ze in Noorwegen de Holberg Prijs uitgereikt voor haar hele oeuvre, en daarmee een kleine Science War ontketend in Scandinavië: hoe is het mogelijk dat een vreemde mix van Lacaniaanse psychoanalyse (pseudohermeneutiek), slechte semiotiek, en politieke filosofie van het type dat doorgaans geproduceerd wordt door ‘la gauche caviar’ op de Parijse Linkeroever in de prijzen kan vallen?, was daarvan de teneur. Of gaat het hier om canonisering als ultieme strategie ter verdediging van falend denken?


  • 12/19/06--15:00: Bodifée, Scruton en een zaterdag in Wenen (chan 2721565)
  • Gerard Bodifée heeft de homofobieprijs 2006 gekregen, omdat hij vindt dat het recht van een kind op een vader en een moeder voorrang heeft op het recht van homokoppels op adoptiekinderen. Dat is een goed argument dat bijzondere aandacht verdient. Hij kon evenwel weten wat hem te wachten stond had hij Roger Scruton gelezen (A Political Philosophy, Continuum Press 2006, p. 102): “Those who are troubled by this (the excessive claims – Scruton -- van de holebi’s, FB), and who wish to register their protest, will have to struggle against powerful forms of censorship. People who dissent from what is fast becoming orthodoxy in the matter of ‘gay rights’ are now routinely accused of ‘homophobia’�?.

    Eind juni 2006 bracht ik samen met een vriendin een werkbezoek aan Wenen, om er in het kader van onderzoek naar het Freudisme enkele tentoonstellingen en lezingen te bezoeken. Zaterdagnamiddag bleek de hele binnenstad afgezet omdat er gay parade plaats vond. We waren getuige van een gore optocht van carnavalwagens waarop mannen in Lederhosen en Tilorer Tanzmädel reklame maakten voor de lokale Sexvereine en clubs met dark rooms. Ouders met kinderen die toevallig in de buurt kwamen, werden er geconfronteerd met exhibitionistische spektakels, gesponsord door Red Bull, Chival Regal en lokale wijnboeren. Zouden ze in Wenen nog begrijpen wat Anständigkeit betekent?

  • 02/07/07--09:52: Go West, Young Man (& Woman): Fred Muller vs. Jos de Mul (chan 2721565)
  • In het NRC Handelsblad hebben Fred Muller en Jos De Mul de vorige weken een interessant en virulent debat gevoerd over de opkomst van analytische filosofie in Nederland. De discussie heeft jammer genoeg geen weerklank gevonden in Vlaanderen, maar is de moeite waard om gevolgd te worden. Hier1, hier2, hier3 en hier4 vind je de de teksten van Muller, en hier5 de reactie in het Erasmus magazine (Met dank aan Fred voor de documentatie).


  • 02/11/07--12:19: Must do better ! (chan 2721565)
  • In Must Do Better, nu ook verschenen in de bundel Truth and Realism van Michael Lynch en Peter Greenough (Oxford UP), worden ook de analytische filosofen door Timothy Williamson berispt. Het realisme-debat is volledig verzand, stelt hij (terecht), omdat ook onder analytische filosofen vaagheid, moedwillig misverstaan, verwerping van centrale denkgewoonten (de wet van de uitgesloten derde bv., of bivalentie omtrent waarheid) in functie van de verdediging van een metafysische stelling, etc. zeer regelmatig voorkomen. ‘Zo gaan we dus niet vooruit’, luidt het. Wanneer we deze centrale denkgewoonten opgeven, geldt dat ‘it is at least not obvious that enough constraints are left to frame a fruitful debate. Yet such qualms surfaced remarkably little.’  Ik had hem graag geciteerd in de Proefvlucht, waar ik iets analoogs beweer (zie het Nawoord: Deugdelijke filosofie). Williamson kiest ook voor wiskunde en de formele benadering als leidraad voor goed filosoferen. Diepte is geen doel: ‘Rigour and depth both matter, but while the conscious and deliberative pursuit of rigour is a good way of achieving it, the conscious and deliberative pursuit of depth (as of happiness) is far more likely to be self-defeating. Better to concentrate on trying to say something true and leave depth look after itself.’ Een ongewoon openhartig opstel van een van de beste filosofen van’t moment. Hij eindigt in méér dan een opzicht optimistisch: ‘This is not the end of philosophy. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning.’ 


  • 02/27/07--09:14: Bernard Stiegler, de hippe allesbegrijpende bankovervaller (chan 2721565)
  • Wij moeten ons blijkbaar reppen naar Leuven, want een zekere Bernard Stiegler maakt daar eerstdaags zijn opwachting. Eerst de enthousiaste mail van zijn vertalers:

     Woensdag 28/2 om 19u. komt Bernard Stiegler - ongeveer de hipste filosoof van Frankrijk voor het moment! - een lezing geven aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. Tijdens deze gelegenheid zal ook de vertaling die Bart Buseyne, Liesbet Samyn (K.U. Leuven) en Judith Wambacq (K.U. Brussel) maakten van Stieglers 'Passer à l'acte' worden voorgesteld en verkocht. Bernard Stiegler is een filosoof die zich vooral heeft beziggehouden met een derridiaans geïnspireerde filosofie van de techniek, die hij evenwel zo ruim interpreteert dat ook de taal er een belangrijke plaats in krijgt. Recentelijk is hij een meer politiek-filosofische, of zo men wil ethische, richting ingeslagen en houdt hij zich bezig met de vraag welke vorm het verzet tegen een denkcultuur die volledig gedomineerd wordt de imperatieven van de markteconomie, moet krijgen. Ik vermoed dat zijn lezing binnen deze thematiek zal passen. (Getekend Judith Wambacq)

    Afgezien van het feit dat we dus eigenlijk niet weten wat we te horen zullen krijgen én dat het allemaal derridiaans geïnsipreerd is (dat kan toch niet hip zijn): wie is die meneer Stiegler eigenlijk? Uit een ‘artikel’  op de Nederlandse wikipedia blijkt dat we hier te maken hebben met een ex-bankovervaller uit Toulouse, die daarna carrière heeft gemaakt op een wijze die alleen Franse séducteurs dat kunnen. Hoe hij het doet weet ik niet, maar de jongste vijf jaar heeft hij dertien boeken geschreven. Het boekje dat zal worden voorgesteld bevat de ‘bekentenissen’ over zijn turbulent verleden (die man moet wel geweldig moedig zijn). De titel ervan verwijst naar een zekere dr. Jacques L. Als hij dan toch zou hip is, zou ik verwachten dat hij iets interessants te zeggen heeft en zijn lezers dit goed kunnen presenteren. Ik heb immers niets van hem gelezen en laat mij dus graag verrassen. In een taaltje doorspekt van gallicismen, germanismen en termen die hij of zij wellicht zelf niet geheel begrijpt, probeert de auteur van het wiki-artikel hem te ‘situeren’.  Maar zoals gezegd: we moeten ons kunnen laten verrassen… ‘Openstaan voor het andere  denken, dat alles schuins beziet’, heet dat volgens mijn Zizekiaanse critici (over wie ik binnenkort eens uitgebreid ga bloggen). Op wie Stiegler beroep doet om een zwakzinnige moordenaar te begrijpen, lees u hier. Ook Stiegler begrijpt dus alles. Maar allesbegrijpende filosofen zijn uiteraard geen filosofen. Het zijn decretenmeesters, zoals Koen (met een knipoog naar Gellner) elders nog eens zei. Mensen die alles weten en alles begrijpen kunnen inderdaad 13 boeken op vijf jaar schrijven.


  • 03/30/07--13:36: VLD, Orwell en Davidson (chan 2721565)
  • De "Open VLD" (voor de Nederlandse lezers: het Vlaams equivalent van de VVD) heeft deze week beslist om de term ‘allochtoon’ in hun teksten door ‘nieuwe Vlaming’ te vervangen. Het is een truuk die George Orwell in 1984 perfect beschreven heeft (‘Newspeak’): verander de woorden, dan zullen de gedachten wel volgen. Dat is natuurlijk niet zo en de manipulator bedriegt in de eerste plaats zichzelf. Waarom gemanipuleerd taalgebruik het denken niet zomaar kan veranderen, heeft Donald Davidson ons uitgelegd. In ‘On the Very Idea of a Conceptual Scheme’, een van die legendarisch geworden opstellen van Davidson, lezen we het volgende voorbeeld, dat betrekking heeft op de reductionistische illusie dat we ooit woorden voor emoties, ervaringen of intenties door neurologische concepten zouden kunnen vervangen: ‘Suppose that in my office of Minister of Scientific Language I want the new man to stop using words that refer, say, to emotions, feelings, thoughts, and intentions and to talk instead of the physiological states and happenings that are assumed to be identical with the mental riff and raff. How could I tell whether my advice has been heeded if the new man speaks the new language? For all a I know, the shiny new phrases, though stolen from the old language in which they refer to physiological stirrings, may in his mouth play the role of the messy old concepts.’ En zo zal het ook gaan met die glimmende nieuwe term ‘nieuwe Vlaming’: ook de VLD kan de intenties van de sprekers die hem (moeten?) gebruiken niet onder controle krijgen. Ook deze term zal na een tijd alle connotaties krijgen die nu de term ‘allochtoon’ heeft. Die Gedanken sind frei.  

     


  • 04/07/07--06:48: Michel Foucault kritisch herlezen (chan 2721565)
  • Socioloog Andrew Scull (UCSB) heeft de nieuwe (en eerste volledige) Engelse vertaling van Foucault’s magnum opus Madness and Civilisation (folie et déraison, 1962) herlezen. Het boek wordt door velen als een van de filosofische meesterwerken van de twintigste eeuw opgevoerd (maar op deze blog heeft bij mijn weten niemand het in zijn/haar lijstjes opgenomen!). In zijn zeer kritisch artikel, getiteld ‘Scholarship of fools’  in de Times Literary Supplement (23 maart 2007, niet publiek toegankelijk) wijst Scull vooral op de talloze historische onjuistheden en het schaamteloos gebrek aan ernstig bronnenonderzoek bij Foucault. Het eindigt vernietigend: ‘Indeed, we can learn from this book: the ease with which history can be distorted, facts ignored, the claims of human reason disparaged and dismissed by someone sufficiently cynical and shameless, and willing to trust in the ignorance and the credibility of his customers.’ Wie wat googelt, vindt snel de voorspelbare reacties uit het Foucault-kamp, en een correspondent meldt me net dat het origineel hier te vinden is.


  • 06/15/07--06:31: Marc Hooghe over Rorty (en iets over goedaardige bullshit) (chan 2721565)
  • Nu de beminnelijke Richard Rorty op het lijstje van Grote Dode Filosofen staat, wagen velen zich aan kanttekeningen en nabeschouwingen. In de Standaard der Letteren (het literaire bijvoegsel van De Standaard, voor mijn Nederlandse lezers) verscheen een stuk van Marc Hooghe (een politicoloog) dat bulkt van de clichés én nog eens laat zien waarom Rorty niet echt de grote denker is waarvoor velen hem namen.

    Het begint zo: “Kan filosofie de wereld redden? Allicht is er ooit een tijdperk geweest waarin men dat geloofde. De filosofie moest een strenge wetenschap worden die ons naar de Waarheid zou leiden. Er zullen tegenwoordig niet zoveel vakfilosofen meer rondlopen die nog waarde hechten aan die illusie. Voor een flink stuk is dat de verdienste van Richard Rorty.”

    Ik weet niet wat Hooghe/Rorty onder ‘strenge wetenschap’ verstaat, maar als iemand voor een filosofische bewering redenen geeft, zullen dat – om conceptuele redenen – altijd redenen zijn om aan te geven dat die opvatting waar is en in die zin streven ook filosofen naar waarheid. Als ‘strenge wetenschap’ betekent dat allerlei intellectuele deugden moeten nagestreefd worden wanneer je aan wetenschap of filosofie doet, zal ze volgens veel vakfilosofen inderdaad streng zijn of niet zijn. Hooghe’s omschrijving is gebaseerd op wat Rorty zei in Philosophy and the Mirror of Nature, maar dat beeld is gebaseerd op revisionisme (zie vorige blog). Het beeld dat Hooghe schetst, zal er bij de postmoderne lezers van de Standaard der Letteren ongetwijfeld ingaan als koek. Dit alles uitleggen als een ‘verdienste van Rorty’ is spin, geproduceerd door iemand die het vertekend (maar aantrekkelijk) beeld dat Rorty schetste, veel te ernstig neemt.

    Hier nog zoiets: “Het heeft weinig zin te blijven zoeken naar de absolute waarheid. Waarom zijn sommige theorieën dan toch beter dan andere? Een goede theorie slaagt erin een gedeelte van de werkelijkheid min of meer adequaat te verklaren.” Goed zo, maar dat moet Hooghe/Rorty ons natuurlijk kunnen uitleggen wat een goede verklaring is zonder in die uitleg het concept waarheid te gebruiken, want anders spreekt hij zichzelf tegen. Ik denk niet dat hij zo’n uitleg kan geven, al weet ik dat dit in de wetenschapsfilosofie een belangrijk dispuut is. Maar zelfs diegenen die beweren dat een wetenschappelijke theorie afgewogen wordt aan elegantie, verklarende kracht, coherentie, etc zullen moeten toegeven dat dit allemaal indicatoren kunnen zijn van de waarheid van de theorie. Dat we in wetenschap of filosofie op zoek zijn naar de ‘absolute waarheid’, beweren heel wat virtuele tegenstanders van Rorty, waardoor het alternatief aantrekkelijk lijkt. Ik weet echt niet wat met ‘absolute waarheid’ zou kunnen bedoeld zijn: dat wetenschap of filosofie de enige disciplines zijn die ware uitspraken produceren? Onzin! Dat ze niet-corrigeerbare waarheden oplevert? Ook onzin natuurlijk: het is niet omdat filosofie op conceptueel onderzoek steunt, dat ze de waarheden die ze vindt (als ze ze vindt!), niet verder verfijnd kunnen worden. Ik weet niet wat Waarheid-met-een-hoofdletter is, maar er is niets mis met een omschrijving van filosofisch of wetenschappelijk onderzoek als streven naar kennis over de wereld en onze plaats daarin. (Ik zeg dus niet dat dit het enige is waar we moeten naar streven!) En als we streven naar kennis, streven we om conceptuele reden naar ware, gerechtvaardigde overtuigingen. Rorty creëert een virtuele tegenstander die allerlei rare dingen beweert, zegt vervolgens dat die ideeën fout zijn, en geeft ons een alternatief dat als je er even over nadenkt, als een pudding inzakt of zo triviaal is dat er echt geen filosofie nodig is om tot dat inzicht te komen.

    En wat hiervan te denken? “Als we ons fatsoenlijk gedragen, is dat niet omdat we rationeel inzien dat de filosofie van Kant correct is, maar omat we ons solidair voelen met anderen”, zou Rorty volgens Hooghe hebben beweerd. Rorty zou dit inderdaad kunnen gezegd hebben, maar wat zegt dit over Kant? Ik denk dat Kant de eerste zal zijn om dit te bevestigen. Een theoretische reflectie over ethiek kan niet in de plaats treden van (goed gecultiveerde) ethische intuïties en denkgewoonten. Ze kan die wel proberen te articuleren en te verfijnen. Pas op een tweede niveau kan de filosoof, net als de politicoloog of de wetenschapper, zich in het feitelijke debat mengen. Natuurlijk had Rorty gelijk dat niet alleen filosofie, maar ook literatuur en de media een rol moeten spelen in het morele debat. Maar veel meer dan een open deur intrappen, deed hij daarmee niet. Wie zou ooit ontkend hebben dat een roman onze morele gevoelens kan aanspreken en aanscherpen? (Abe Lincoln had De hut van oom Tom gelezen.). Hadden we Rorty nodig om dit Diep Filosofisch Inzicht te verwerven? En suggereert dit niet ten onrechte dat theoretische reflectie – filosofie dus -- ‘eigenlijk’ onbelangrijk is?

    Het stuk van Hooghe eindigt met een schitterend voorbeeld van goedaardige bullshit: “Het zijn niet de filosofen of de politici die de wereld zullen verbeteren, maar de romanschrijvers en filmmakers.” Iemand zou ooit eens een schaal van 1 tot 10 moeten ontwerpen die het bullshitgehalte van een bewering aangeeft. Deze krijgt van mij een zes. Ter herinnering: bullshit is volgens Harry Frankfurt niet hetzelfde als het produceren van onware of onzinnige beweringen. Wat Hooghe hier schrijft is goedaardige bullshit omdat hij wellicht zelf ook weet dat deze bewering in haar banale algemeenheid en exclusiviteit niet klopt, maar ook omdat (behalve uw dienaar) niemand het de moeite waard zal vinden hem daarop aan te spreken. Een goed eindredacteur had dit gewoon moeten schrappen.

  • 06/17/07--14:02: Scruton en Habermas over Rorty (chan 2721565)
  • Wie heeft gelijk? Roger Scruton en Jurgen Habermas blikken terug op Rorty's filosofie. Volg vooral de discussie die volgt op het stuk van Scruton...

  • 07/12/07--15:54: Goedaardige leugens over global warming? (chan 2721565)
  • Nu de rockers en Madonna’s van deze wereld hun sympathie met Al Gore’s kruistocht voor de Global Warming Theory hebben kunnen demonsteren – en zich daardoor weer populair hebben gemaakt, ook al vliegen ze met privé-jets -- heeft het zin om de Global Warming Swindle nog eens opnieuw te bekijken. Het is bijna blasfemisch geworden om tegen die sympathieke Al Gore in te gaan, maar ik doe het.

    De centrale vraag in dat debat is de volgende: is de mens de oorzaak van de opwarming van de planeet die we al enige tijd waarnemen? De vraag is niet of de industrie koolstofdioxide produceert, en de vraag is evenmin of de aarde al enige tijd opwarmt (sinds 1992 volgens Al Gore). Dat is allemaal waar; de echte vraag is of tussen beide elementen een causale relatie bestaat. Dat betwisten de tegenstanders van Gore, en The Global Warming Swindle geeft goede argumenten tegen die causale stelling. Ik ga die hier niet herhalen, maar als fallibilist weiger ik Gore’s stelling (in An Inconvenient Truth) te onderschrijven dat die causale relatie een feit is, en geen theorie. Dat is een misbruik van beide begrippen. Een goede wetenschapper zal nooit beweren dat zijn theorie een ‘feit’ is. Hij zal, als impliciete Bayesiaan, zeggen dat hij zeer goede redenen heeft om zijn theorie te verdedigen. Gore maakt een (in de VS geriskeerde) allusie naar creationisten, die de zaak omdraaien: evolutie is slechts een theorie, geen feit, waardoor creationisten ook een theorie lijken te verkondigen. Dat is niet het geval – de aanwijzingen voor die ‘theorie’ zijn nihil. Gore maakt de omgekeerde retorische fout: iets een ‘feit’ noemen suggereert dat de causale band die de global warming theory legt, onbetwistbaar juist is, en dat is niet het geval. Het debat is open, en laat het open blijven. De argumenten van de tegenstanders verdienen in elk geval meer aandacht.

    Ik heb dus veel sympathie voor diegenen die het Gore-verhaal niet klakkeloos slikken, al betekent dat natuurlijk niet dat zijn conclusies irrelevant zijn. Volgens mij is er een cruciaal moreel argument te formuleren voor zijn stelling dat we zorgvuldig met onze planeet moet omspringen: wij – onze generatie – hebben de verantwoordelijkheid deze planeet in de best mogelijke staat over te dragen aan de volgende generaties, en dus moeten we zorgvuldig omgaan met onze grondstoffen, met het milieu, met onze infrastructuur (en met onze cultuur!). Dat vereist moedige beslissingen die genomen kunnen worden onafhankelijk van de vraag of Gore danwel de tegenstanders gelijk hebben. Het is verkeerd om onze attitude tegenover de natuur en de wereld te willen veranderen op grond van een disputabele wetenschappelijk theorie. Van belang is het cultiveren van zorgvuldige omgang met wat we hebben om toekomstige generaties dezelfde kansen te geven. Dat laatste is natuurlijk veel moeilijker uit te leggen. De global warming theory zou wel eens een goedaardige leugen kunnen zijn. Het échte probleem is het volgende: als Gore’s argument op selectief gebruik van wetenschappelijke bevindingen berust, ondermijnt het op lange termijn het vertrouwen in wetenschap, en als het op échte wetenschappelijke inzichten berust, miskent zijn argumentatie dat zorgvuldige omgang met de planeet onafhankelijk van die bevindingen van cruciaal belang is. Dat is mijn probleem met Al Gore’s argumentatie – maar niet met zijn conclusies.

  • 07/18/07--05:12: Oscar Van den Boogaard, het klimaat en David Hume (chan 2721565)
  • De discussie over global warming blijft gerommel veroorzaken. Het systematisch opduiken van drogredenen wijst erop dat iets niet pluis zit, dat het voor velen niet meer gaat over een rationele afweging van argumenten maar om orthodoxie en ketterij. (Waar hebben we dat nog gehoord?) In een column in De Standaard (16 juli 2007) schrijft een zekere Oscar van den Boogaard het volgende (hij verwijst naar The Great Global Warming Swindle, waarover ik vorige keer schreef en die door de KRO werd uitgezonden). Ik citeer hem letterlijk: “De vraag is of je klimaatskeptici wel een platform moet geven. Zou iemand het in zijn hoofd halen een documentaire te maken over het overschatte gevaar van aids?” (waarna de Swindle zelf van zwendel beticht wordt).

    De vraag of klimaatskeptici “wel een platform moeten krijgen” is te gek voor woorden. Gaat Van den Boogaard voor censuur? Voor Big Brother? Een sterk staaltje van de intolerantie waartoe 'correct denken' kan leiden.

    Maar intrigerender is het kromdenken in zijn vergelijking met aids. Van den Boogaard suggereert dat de evidentie die we hebben van een causale relatie tussen aids en vroegtijdige sterfte even groot is als die tussen uitstoot van koolstofdioxide (veroorzaakt door menselijke activiteit) en globale opwarming. Net zoals het absurd die de eerste causale band te ontkennen, zo is het absurd de andere causale band te ontkennen. Maar dit argument veronderstelt wat moet bewezen worden. De klimaatscepticus kan perfect bevestigen dat de probabiliteit van een causale samenhang tussen aids en vroegtijdige sterfte zeer hoog is. Wat hij betwist is dat die probabiliteit even hoog is voor de causale relatie tussen verhoogde CO2-uitstoot en globale opwarming. Mijn stelling uit een vorige post – je moet op grond van morele of ethische argumenten (zorg en verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties) zorgvuldig met grondstoffen en natuur omgaan – blijft geldig.

    Eén laatste kanttekening: een van de redenen waarom een wetenschappelijke bevinding dit morele argument niet echt ondersteunen, werd al door David Hume (en George Edward Moore) onderkend: uit descriptieve gegevens – empirische bevindingen in de wetenschap bijvoorbeeld – kun je nooit afleiden wat we behoren te doen, wat goed (deugdelijk, moreel behartenswaardig) is. Wie dit ontkent, begaat de Naturalistic Fallacy. Andere voorbeelden van de Naturalistic Fallacy: uit het feit dat mensen vlees eten, volgt niet dat ze slecht zijn. (Je moet argumenteren dat vlees eten slecht is, wil je je conclusie aantonen). Uit het feit dat goud duur is, volgt niet dat het intrinsiek waardevol is. uit het feit dat de mens door evolutie is ontstaan, volgt niet dat hij geen speciale morele status zou hebben (dit laatste is een voorbeeld van de inverse Naturalistic Fallacy: uit het feit dat iets het natuurlijke kenmerk K heeft, volgt niet dat het geen niet-natuurlijke kenmerk M kan hebben.). Wie uit de opwarmingstheorieën wil afleiden dat we meer respect moeten hebben voor de aarde, neemt al aan dat respect voor aarde, natuur, grondstoffen én zorg voor toekomstige generaties waardevol is, en dat onafhankelijk van het wetenschappelijke antwoord op de causale controverse. Columnisten als Van den Boogaard vervuilen met hun slechte argumenten een debat dat ons allemaal aangaat.



  • 07/17/08--03:27: Zizek over Frankfurt, bullshit en de grote wereldproblemen (chan 2721565)
  • Des avonds, wanneer het begint te schemeren, sla ik een dik boek open van de hand van de heer Slavoj Zizek. Het boek heet In Defense of Lost Causes, verscheen enkele maanden geleden en wellicht is er nu al een Nederlandse vertaling in voorbereiding. Het is het 33ste boek van de Sloveense filosoof die ooit in de Duitse weeblad Die Zeit als ‘een gevaarlijk man’ werd omschreven. Zizek promoveerde bij Lacan-schoonzoon (en –epigoon) Jacques Alain Miller, die op zijn beurt door de Engelse intellectueel Richard Webster ooit een ‘intellectuele gangster’ werd genoemd. En zelfs een echte gangster: Miller heeft het al jaren moeilijk met de Franse fiscus, die zijn lucratieve inkomsten als een van de duurste psychoanalytici in Parijs onder de loep heeft gehouden. Zizek zelf  is nu professor at the European Graduate School, International Director of the Birkbeck Institute for the Humanities, University of London (aldus de achterflap) én senior researcher at the Institute of Sociology, University of Ljubljana, Slovenia. Ik denk niet dat de Humanities in London daarmee in goede handen gevallen zijn, maar Zizek zorgt wél goed voor zichzelf.

    Neen, het boek van Zizek staat niet vol nonsens: de man associeert zich te pletter (in 489 bladzijden!) en wie vrij associërend denkt over alles, slaagt er onvermijdelijk in af en toe juiste observaties te maken. Ik zal daarop nog terugkomen in volgende bijdragen. Nu beperk ik me tot een 'argument' uit de Inleiding tot het boek. Zizek  weet uiteraard zelf dat Frankfurtiaanse bullshit om de hoek loert wanneer hij aan het woord komt en dus moet Frankfurt neergesabeld worden.  Hier volgt het volledige en enige ‘argument’:

    ‘There is indeed a lot of bullshitting going on these days. Unsurprisingly, even those who popularized the notion of ‘bullshit’, such as Harry Frankfurt, are not free from it. In the endless complexity of the contemporary world, where things, more often than not, appear as their opposites – intolerance as tolerance, religion as rational common sense, and so on and so forth – the temptation is great to cut it short with a violent gesture of ‘No bullshit!’ – a gesture which seldom  amounts to more than an impotent passage à l’acte. Such a desire to draw a clear line of demarcation between sane truthful talk and ‘bullshit’ cannot but reproduce as truthful talk the predominant ideology itself. No wonder that, for Frankfurt himself, examples of ‘no bullshit’ politicians are Harry Truman, Dwight Eisenhower, and, today, John McCain – as if the pose of outspoken personal sincerity is a guarantee of truthfulness.’

    Zizek verwijst in de laatste zin naar een recent interview met Harry Frankfurt. Alleen al het feit dat McCain republikeins presidentskandidaat is, moet de linkse Zizek al verdacht in de oren klinken. De ‘passage à l’acte’ is een authentiek Lacanisme en de hint is duidelijk: wie Zizek of anderen van bullshit zal beschuldigen is bezig met een ‘gewelddadige geste’, die tegelijk een ‘impotente’ overgang tot de act zelf is. En wat de anti-bulshitter vervolgens vertelt ‘kan niets anders zijn het presenteren als waarheid van de dominante ideologie’. Waarom zou dat zo zijn? Zizek psychiatriseert niet alleen de anti-bulshitter, en hij weet al vooraf dat iedereen die hem zou aanvallen met het bullshit argument alleen maar de dominante ideologie reproduceert en dus zelf geen originele gedachten heeft. De overduidelijke psychiatrisering van zijn tegenstander doet me denken aan de oude Sovjet-praktijk, toen tegenstanders van het communistisch regime letterlijk in psychiatrische instellingen terecht kwamen. Zizek doet de zaak over door de anti-bulshitter een Lacaniaanse draai om de oren te geven. De anti-bulshitter – in dit geval: Frankfurt -- is een geval geworden. Zizek is inderdaad een gevaarlijk man.

    Iedereen kan zien dat hier niet geargumenteerd wordt. Er wordt heel hard en luid geroepen, uitdrukkelijk gezwaaid met Lacan (waarvan Zizek heel goed weet dat die door velen zelf van bulshitting beschuldigd wordt), en er wordt gesuggereerd – maar niet meer dan dat! -- dat de no-bulshitters de eindeloze complexiteit van de hedendaagse wereld (die Zizek, natuurlijk wél begrijpt) met een ‘geweldadige geste’ willen reduceren: ‘No bullshit!’

    Uit dit tweede argument blijkt duidelijk dat Zizek Frankfurt niet gelezen heeft. De eindeloze complexiteit van de wereld moet juist niet benaderd worden met luid geroep en psychoanalytische interpretaties waarvan het irrelevant is of ze waar zijn of niet (als ze maar genoeg intimiderende effecten hebben!), of pure ad hominem argumenten. Frankfurt pleit ervoor om zorgvuldigheid te laten primeren wanneer de eindeloos complexe problemen in de wereld aan bod komen. Zijn punt is niet heel hard ‘No bullshit!’ te roepen (dat is zelf bullshit), maar te blijven insisteren op het belang van ‘the calm sunshine of the mind’ (David Hume). Volgende keer meer over die wonderlijke meneer Zizek.


  • 01/26/11--01:24: Pedofilie: Alzo Sprak Professor Vermeersch in 1979 (chan 2721565)

  • De deining rond de zaak Versteylen heeft nogmaals duidelijk gemaakt hoe opvattingen over seksualiteitsbeleving verschoven zijn sinds de wonderlijke jaren zeventig. Bij ouderen moeten de volgende citaten het geheugen opfrissen, voor jongeren zullen ze een eye-opener zijn:


     


    “De gewone pedofielen zijn geen boosdoeners. Ze hebben een seksuele gerichtheid waar ze niet om gevraagd hebben en al kan men (voorlopig wellicht) een aantal van hun daden onaanvaardbaar achten, zij zijn medemensen die veel meer nood hebben aan ons begrip, dan aan brute ongenuanceerde afwijzing.” Deze uitspraak komt niet van een iemand die nu pleit voor enige bezinning en nuancering in een tijd waarin, zoals Jan Leyers onlangs opmerkte, ‘de geur van brandstapels’ speurbaar is. Zij werd geformuleerd in 1979 naar aanleiding van een toneelstuk ‘Snoepjes’, dat pedofilie ter sprake bracht en waarvan een opvoering in Gent in eerste instantie verboden werd.


     


    Verder luidt het: “Vergeleken met het eerder beperkt belang van het ‘vergrijp’ (pedofilie, in zijn gematigde vorm) is de publieke  afkeuring en ook de strafrechterlijke beteugeling – zelfs als ze gewenst kan zijn – in elk geval mateloos overtrokken.” Hoewel de auteur terecht opmerkt dat wetenschappelijk onderzoek (toen) onvoldoende materiaal opleverde om “normen te stellen binnen dewelke bepaalde types van pedofilie zowel moreel als strafrechterlijk vrijuit zouden gaan”, sluit hij “die mogelijkheid niet uit.”  Natuurlijk wijst hij extreme praktijken als anale penetratie bij minderjarigen af, maar dat is, zo stelt hij verder, “bij de ‘normale’ pedofiel uiterst zeldzaam of zelfs onbestaande.” Pedofielen “zijn zich doorgaans van geen kwaad bewust”, en er zijn geen “decisieve bewijzen voor blijvende schade bij het kind”, “hoewel dat (opnieuw) verder onderzoek vereist.” Een “definitieve stellingname” op grond van wetenschappelijk onderzoek “is vooralsnog onmogelijk”. Ook nu zijn we daar nog altijd niet uit en het wetenschappelijke debat blijft, onvermijdelijk, zeer controversieel, voeg ik er meteen aan toe. Vreemd toch: we weten niet veel, maar we moesten het toch al tolereren.


     


    Aan het woord is Etienne Vermeersch in een opiniestuk dat verscheen op 9 december 1979 in De Morgen. Het past perfect in de tolerante sfeer die toen heerste en moet ongetwijfeld in het kader van een breder debat – verwerping van de als preuts bevonden officiële standpunten van de kerk en een belangrijk segment van de officiële vrijzinnigheid -- gelezen worden. Hoewel zijn stellingname interessante observaties bevat, heeft hij ze, voor zover ik heb kunnen nagaan, de jongste maanden niet publiekelijk herhaald, wellicht omdat zijn visie nu als volstrekt immoreel zal worden bevonden. Zo ziet hij niet meteen graten in de mogelijkheid dat een pedofiel “zich zou laten masturberen” door een kind. Als een lid van de parlementaire Commissie Kindermisbruik dit nu zou beweren, is zijn of haar politiek lot meteen bezegeld.


     


    Vermeersch’ morele uitgangspunten volgen uit een controversiële morele theorie die filosofen hedonistisch utilisme noemen. Om ze goed te begrijpen en niet te verdraaien, citeer ik ze in extenso (en ik laat de strafrechtelijke consequenties die Vermeersch ook formuleert, nog even buiten beschouwing):


     


    “a) Ik keur alle handelingen goed die tot gevolg hebben dat ellende en pijn van mezelf en van mijn medemensen worden verminderd, of de vreugde en de genieting bevorderd; ik vind die daden immoreel die het geluk verminderen of het lijden groter maken.


    b) Het kan gebeuren dat een handeling voor de ene vreugde bijbrengt en een ander nadeel berokkent; in dit geval geniet het de voorkeur aan de eigen genieting te verzaken, eerder dan de pijn van de ander te verhogen.


    c) Het feit dat men daden afkeurt, moet niet noodzakelijk leiden tot afschuw voor de dader; wraakzucht en haat kunnen in enkele gevallen hoogstens als begrijpelijke reacties op immorele daden worden beschouwd; ze zijn niet iets waarop men fier moet zijn.”


     


    Verder schrijft hij:


     


    “Nu volgen twee typische linkse stellingen: d) Bovenvermelde houdingen hebben betrekking op alle mensen, zonder onderscheid van ras of klasse, zelfs op misdadigers.


    e) De beslissing of daden gunstig of ongunstig zijn voor het menselijk geluk, mag niet op basis van traditie of intuïtie gebeuren, maar moet het resultaat zijn van rigoureuze wetenschappelijke bewijsvoering; vooral indien men mensen wenst te veroordelen of te straffen. Dit wat de moraal betreft.”


     


    Dit utilistisch denken deugt niet. Zelfs indien een kind geen pijn of plezier zou ervaren, heeft de pedofiel dan nog steeds het recht om het kind als instrument te gebruiken ter verhoging van het eigen zinnelijk genot? En het kan niet juist zijn dat kennis van wat gunstig of ongunstig zijn voor menselijk geluk alleen op ‘rigoureuze wetenschappelijke bewijsvoering’ kan steunen. Hoe valt pijn en genot te meten (een punt dat Vermeersch ook impliciet erkent)? En uit wat het geval is, volgt nooit op zich wat behoort het geval te zijn of wat toegelaten is. Dat is bv. ook de reden waarom ernstige Darwinianen weigeren om uit ontdekkingen in de evolutionaire sfeer morele conclusies af te leiden (een vergissing die bv. racisten vaak hebben gemaakt.) Zo zijn ook onze opvattingen over homoseksualiteit juist niet op wetenschappelijke maar op morele overwegingen en verschuivende gevoeligheden sterk (en ten goede) gewijzigd. Wetenschap kan wel degelijk een common sense gedachte als een vooroordeel ontmaskeren, maar kan zelf niet zeggen wat het morele alternatief moet zijn. Tenslotte: een praktijk kan geen (directe) schade berokkenen en toch moreel verwerpelijk zijn, bv. omdat er asymmetrische machtsrelaties aan te pas komen, en het is maar de vraag in welke pedofiele relatie dat niet het geval is. Maar zulke manifeste, intuïtieve en traditionele inzichten mogen volgens Vermeersch in 1979 juist niet meetellen. Zijn utilisme maken ze zondermeer irrelevant.


     


    Taboes toen en nu


     


    Maar zelfs indien je Vermeersch volgt in zijn merkwaardig betoog, is een vergelijking van wat toen gezegd werd, en wat nu aan de hand is, bijzonder intrigerend. Ten eerste: alles wat toen als ouderwets werd afgeschreven en op grond van wetenschap minstens betwijfeld moesten worden, vormt nu de kern van het ‘politiek correcte’ standpunt. Wraakzucht en haat zijn, zoals Vermeersch zegt, “niet iets waarover men fier moet zijn”, maar dat is toch precies wat nu aan de orde is? (Een Vlaams politicus wilde Vangheluwe castreren en een SPA-politica vond zelfs zijn verbanning naar Afrika nog niet erg genoeg.) Wat Vermeersch de ‘linkse’ houding noemt is dus zeker niet automatisch met een antitraditionele reflex verbonden. Nu moeten verjaringstermijnen vervallen, chemische castratie voor recidivisten wordt een reële optie, etc. Het vergeldingsdenken – totaal in strijd met de utilistische beheersbaarheidsmoraal die Vermeersch verdedigt – beheerst het publieke discours. Het is jammer dat Vermeersch op dit punt zijn standpunt niet herhaalt.


     


    Ten tweede: een morele theorie, in dit geval een hedonistisch-utilistische kijk op pedofilie,  blijkt in elk geval veel minder in staat de tradities en intuïties aan te tasten dan oorspronkelijke gedacht werd. Het opiniestuk van Vermeersch was toen, niet anders dan nu, zondermeer controversieel (vandaar dat velen nu verbaasd zullen zijn over wat hij toen schreef). Vreemd genoeg was de stelling die Vermeersch zelf verdedigt – afstand nemen van hysterische reacties – ook impliciet in de conservatieve kerk aanwezig, waar het zich vertaalde als hypocrisie. De paradox is dat diegenen die nu alles boven water willen krijgen, in die hypocrisie nu het grootste verwijt zien, maar teruggrijpen naar attituden die Vermeersch zelf afwijst. Immers: “Vergeleken met het eerder beperkt belang van het “vergrijp” is de publieke afkeuring en ook de strafrechtelijke beteugeling – zelfs als ze gewenst kan zijn – in elk geval mateloos overtrokken”, schrijft hij.


     


    Ten derde: toen als nu was de kerk de facto het doelwit: toen, omdat ze het boegbeeld was van de te verwerpen traditie, nu omdat ze op grond van waarden die Vermeersch zelf ‘traditioneel’ en  ‘onwetenschappelijk’ noemt, zelf aangevallen wordt. Mag het vermoeden geopperd worden dat de echte bron van rancune dus elders lag en ligt? Het zou kunnen verklaren waarom Vermeersch zelf zijn eigen standpunt verloochent wanneer hij recent uithaalt tegen pedofiele religieuzen. (Hij kan zich niet verschuilen achter het standpunt dat zij uitzonderingen zijn, want dat zou onder andere ingaan tegen punt (d), zie hierboven.)


     


    Ten vierde: Het standpunt van Vermeersch is ook belangwekkend voor slachtoffers. Bij dit alles mag men immers niet vergeten dat zich een complex fenomeen voordoet waarmee veel psychiaters vertrouwd zijn: mensen met psychische problemen zijn geneigd zich te conformeren aan populaire traumabeelden. De terugkeer van de harde houding tegen pedofilie, gecombineerd met de voortdurend herhaalde bewering dat kinderen er blijvende schade aan overhouden – een punt dat Vermeersch in zijn analyse expliciet betwist -- maakt dat wie ooit bij pedofiele handelingen betrokken werd, zich nu aan een traumabeeld aanpast en plots ‘ontdekt’ dat hij/zij ‘slachtoffer’ is. Ook deze conclusie, die perfect in het lijn van Vermeersch’ betoog ligt, zal nu hard aankomen. Als Vermeersch gelijk heeft (en let op de ‘als’!), leidt slechts een minderheid van de pedofiele seksuele handelingen tot blijvende schade.


     


    “Pleiten voor een wetswijziging of minstens voor een begrijpende rechtspraak is dus dringend nodig,” besluit Vermeersch. Hij lijkt me dus, op grond van zijn stellingen en conclusies, de perfecte getuige à décharge te zijn voor de honderden pedofielen die binnenkort op grond van een moraal die in traditie en intuïtie berust en niet op rigoureuze wetenschappelijke bewijsvoering steunt, voor hun rechters zullen moeten verschijnen. Het waren andere tijden.


     


    Dit stuk verscheen ook in De Morgen, 26 januari 2011.